5. Conclusie
Theoretische onderbouwing en uitvoering:
Voor dit experiment was de centrale onderzoeksvraag “Wat is de massa van het elektron wanneer deze wordt
bepaald met een Helmholtzspoel?” Om deze vraag te beantwoorden worden er twee verschillende
meetmethodes gehanteerd om hierachter te komen. Hierbij was de Lorentzkracht als middelpuntzoekendekracht
gefungeerd om de specifieke lading (e/m) te bepalen. Dit wordt gedaan door de wisselwerking tussen de
elektrische versnelde deeltjes.
De basis van dit experiment ligt bij de Lorentzkracht die als middelpuntzoekende kracht fungeert. Door
elektronen met een variabele spanning te versnellen en vervolgens loodrecht door een magnetisch veld ontstaat
er een cirkelvormige baan. Deze relatie wordt geuit in de volgende formules. Bij proef 1:
en bij
Proef 2
:
en dit vormt dan ook de basis voor de dataverwerking vanuit Excel, waarbij het
Hellingsgetal uitkomt direct gekoppeld is een de massa van een elektron.
Analyse van de resultaten:
De resultaten van deze twee proeven komen in hoge mate overeen met de geaccepteerde
wetenschappelijke literatuurwaarde.
Bij proef 1: (Variabele Spanning) werd dan ook door de versnellingsspanning te variëren bij een
constante stroom van I = 1,35A werd een massa van
berekend en deze heeft maar een
5,2% afwijking van de literatuurwaarde vanuit Binas.
Bij Proef 2 (Variabele Magnetisch Veld): in de tweede proef werd de stroom constant gehouden op U= 300V en
werd het magnetisch veld gevarieerd door de stroomsterkte aan te passen. Deze methode bleek nog
nauwkeuriger te zijn en kwam er uiteindelijk een massa van
wat resulteert in een afwijking van
slechts 2,7% ten opzichte van de literatuurwaarde. Hoewel dit een kleinere afwijking is dan bij de eerste
methode, blijft een foutenanalyse vereist.
Discussie en Foutbeschouwing:
Hoewel de afwijkingen zeer laag zijn voor een schoollaboratorium setting zijn er duidelijke
aanwijzingen voor meetonzekerheden. De belangrijkste factor van afleesnauwkeurigheid was de straal
(r) omdat de schaalverdeling stappen van 2cm had. Daarnaast hadden omgevingsfactoren ook een
potentiële rol gespeeld door bijvoorbeeld:
De magnetische interferentie van de aarde en de aanwezigheid van metalen objecten door het lokaal die
het homogene veld van de helmholtzspoel licht heeft vervormd of versterkt.
En de noodzaak van een volledig duistere omgeving was cruciaal om de zwakke lichtstralen van de
elektronenbanen te kunnen zien. Invallend omgevingslicht maakte het exact bepalen van de diameter
bovendien zeer lastig.
De afwijking zou dus hoogstwaarschijnlijk voornamelijk komen vanuit:
-De Afleespunten bij de straal, en de voltmeter.
-Onnauwkeurigheid van de spanningsmeter.
-Kleine afwijkingen in het magnetische veld.